Hij liep maandenlang op de keien,
En de toekomst bood hem geen bestaan;
Zijn “oudjes” die hadden het amper,
Dus zo’n leegloper was niks gedaan.
Hij meldde zich als koloniaal aan,
‘t Was uit wanhoop en zette zijn “poot”;
Zij wuifden hem na van de kade,
En hij neuriede droef op de boot:
Refrein:
Ver van alles, waarvan ik heb gehouwen,
Zwerf ik thans rond in alle eenzaamheid;
Elk die ik lief heb gehad, zal ik niet meer
aanschouwen,
Vergeet mij niet en denk van tijd tot tijd,
Een ogenblik aan mij, die in den vreemden lijdt.
Zoo deed hij zijn plicht vele jaren,
Met zijn makkers in ‘t Indisch armée;
En was tussen duizend gevaren,
Invalide geraakt in Atjeh.
Met Kerstmis met ‘t oude en nieuwe,
Voelde hij zich zoo droef en alleen;
En telkens op moeders verjaardag,
Zong hij mijmerend en stil voor zich heen
Hij was drie kwart oud en versleten,
Toen men hem zijn pensioentje aan bood;
Toen kwam hij terecht in de kampong,
Want zijn oudjes die waren lang dood.
Zijn “meid” was getrouwd met een ander.
Dus verbroken was iedere band;
Toch zingt hij nog bij de herinn’ring,
Aan z’n oudjes, zijn “meid” en zijn land:
|
|
|